Het Caspar de Robles- of Kolonelsdiep
later: Het Prinses Margrietkanaal

A. KANAAL, WAD, VALLAAT EN BRUG

Aanleg ca 1508
Dit vaarwater werd omstreeks 1508 gegraven op aandringen van de Saksische stadhouder, Hendrik, graaf van Stolberg-Weringe­rode. De uitvoering van dit grote werk werd opgedragen aan de monniken van het klooster 'Jerzuzalem', het Gerkesklooster, in samenwerking met de griete­nij­en Kollumerland en Achtkarspelen.
Men kreeg op die manier een ver­lengstuk van het kanaal, dat eerder aangelegd werd van Kollum naar Gerkesklooster. Er kwamen in het kanaal drie vallaten of schutsluizen, die Achtkarspelen  moesten beschermen tegen het (vooral bij westerstorm) opstuwende water van de Burgumermar. Die vallaten werden geplaatst te Blauwvallaat, Monnike­tille (bij Reahel) en Schuilenburg. Het vallaat bij Monniketille heette: 'Blankenburg'. Voor het passeeren van het vallaat werd tol geheven.

Een wad in het kanaal
De verbinding tussen Eastermar en Jistrum liep destijds via de Alde Miedwei. In aansluiting daarop kwam er op die plek, ongeveer waar nu het adres Tillepaad 13 is, een wad in het kanaal, ten behoeve van de oversteek van paard en wagen. Uiteraard was het kanaal veel smaller dan nu het geval is.

Verbreding 1574-1576. Bouw van een brug bij het vallaat
Een grote verbetering onderging het kanaal van 1574-1576. In 1568 was 'de zwarte kolonel', Caspar de Robles (1527-1585), Portugees van geboorte, luitenant-stadhouder van de noordelijke provincies geworden. Hij trad krachtig op door na de Allerheiligenvloed, die in 1570 grote overstromingen veroorzaakte, de dijken te herstellen. In 1576 werd hij daarvoor geëerd met een gedenkteken op de dijk bij Harlingen, een Januskop met twee gezichten, bekend als 'De Stiennen Man'. De stadhouder nam in 1571 het initiatief het kanaal te verbreden en te verdiepen. Het kanaal kreeg zijn naam: het Caspar-Roblesdiep of Kolonelsdiep, in verbasterde vorm: It Knillisdjip.
Misschien, aldus Veltman in zijn boekje 'Oostermeer geschiedkundig beschreven',  is toen het wad vervallen en vervangen door een tille bij of over het vallaat. Vanaf die tijd werd vermoedelijk ook de J. Wiersmawei, toen de 'Kealewei' geheten, de verbindingsweg tussen Eastermar en Jistrum. Mogelijk bestond de verbinding eerder al als voetpad.

Slatting 1616
In 1616 bleek het nodig het kanaal opnieuw uit te diepen, temeer, omdat het Hoendiep ook verbeterd was. Dit werk werd waarschijnlijk ter hand genomen door de grietenijen Kollumerland en Achtkarspelen, omdat deze er het meeste belang bij hadden. De provincie betaalde niet mee, evenmin als de gemeente Tytsjerksteradiel.

Slatting 1719 en 1736
Honderd jaar later (ca 1719) is het kanaal provinciaal eigendom. De slattingen in dat jaar en in 1736 gebeuren dan ook op haar kosten. Ongeveer in die tijd werd het vallaat weggenomen, vrijwel zeker ook in opdracht van de provincie.

Plaatsing nieuw vallaat 1740
Vier jaar later, in 1740, werd het vallaat opnieuw geplaatst. Het was in principe gesloten en werd alleen open gedaan om schepen door te laten. Kollumerland en Achtkarspe­len hadden hier groot belang bij, maar uiteraard liep het bij storm opgestuwde water van de Burgumermar nu over de laaggelegen landerijen bij Skûlenboarch. De Kealewei stond geregeld blank, getuige ook de overlevering volgens Veltman, dat 'het wel eens gebeurd is, dat de predikant, die te Eestrum de godsdienstoefening zou houden, de gevaarlijke plekken slechts passeeren kon op den rug van een zijner kerkeraadsleden, die zoo gelukkig was laar­zen aan te hebben.'

'De eenige weg', aldus Veltman, 'waarlangs het Bergumermeer zijn overtollig water kon loozen was via Leeuwarden en Dokkum door het Dokkumer-diep naar de Nieuwe Zijlen. De Zwemmer was hierbij van geen waarde: dit water was zoo met riet en biezen begroeid, dat een inspec­teur, die in 1804 den stand van zaken kwam opnemen, na urenlang zoeken de uitmonding in het meer niet kon vinden en onverrich­terzake terug keerde.'

De klachten over het vallaat werden sterker en er werd serieus over gedacht om het open te stellen als de Monnikezijl openstond. Kollumerland en Achtkarspelen verzetten zich hevig tegen dit idee, maar tever­geefs. Hadden de beide grietenijen eigenlijk wel een rechtsgrond voor hun verzet? Er werd onderzoek gedaan naar een eventueel vanouds bestaand privilege, maar dat leverde niets op. Men concludeerde dat dit 'recht' alleen zijn basis vond in het feit dat het Casper-Roblesdiep destijds aangelegd was door beide grietnijen in samenwerking met het klooster 'Jeruzalem'.

Oplossing voor wateroverlast 1832
In 1832 hakte de provincie de knoop door. In dat jaar werd bepaald dat -zolang er binnenwater door de Monni­kezijl geloosd kon worden - het vallaat bij Schuilenburg open kon blijven. Een hele verbetering.

Wegruiming vallaat, bouw van een ophaalbrug 1844
Twaalf jaar later werd opnieuw onderzocht welk nut het vallaat precies had. De conclusie was, aldus Veltman, 'dat het alleen bij hevige westerstormen zoo noodig het water kon kee­ren, maar overigens vrijwel nutteloos was. Gedeputeerde Staten besloten daarom deze twistappel maar geheel te verwijderen en zoo werd dan in 1844, ondanks heftige protesten van Achtkarspelen en Kollumerland het oude vallaat weggeruimd en vervangen door een ophaalbrug van 14 el totale en 5.90 el doorvaartwijdte.' Er werd dus een flapbrug gebouwd, terwijl het kanaal toen tevens opnieuw verwijd en verdiept werd.

Ophaalbrug vervangen door een houten draaibrug 1870
De ophaalbrug heeft 26 jaar dienst gedaan. In 1870 werd de brug vervan­gen door een houten draaibrug. Aannemer was A.L. Kool van Makkum, voor de som van f 3266,-.

Draaibrug vervangen door een (meer westelijk gelegen) ijzeren draaibrug 1882
De bruggen waren tot dusverre steeds gelegd op de plaats van het vroegere vallaat, aan het eind van de Skûlenboargerwei, waarvan het laatste gedeelte in noordoostelijke richting liep. De nieuwe ijzeren draaibrug, die in 1882 gebouwd werd, kwam nu echter iets westelijker te liggen, op de huidig plek. Tegelijk werd een rechtstreekse aansluiting op de Skûlenboargerwei gemaakt, waardoor het laatste stuk tot 'Alde Skûlenboargerwei' werd. Daarna is deze ijzeren draaibrug nog verschillende keren aangepast en vernieuwd, vooral in 1950 en 1977.