Libbe Bosma
geboren 26 december 1911 Garyp

HERINNERINGEN
aan de gebeurtenissen in de Tweede Wereldoorlog

 

1. Het verzet in Drachten
In Drachten werd het verzet georganiseerd door veearts Douwe Rijpkema en de handelaar in bouwmaterialen Roelof Vermeulen. De laatste werd na de oorlog mede-eigenaar van de bekende Betonfabriek Kijlstra in Drachten. De derde man was de eveneens in Drachten wonende Pieter Wijbenga, die echter later veel meer bij het verzet in Leeuwarden betrokken was. Meer op de achtergrond was de industrieel H.J.B. Hamer bij het verzet betrokken, een vertrouwde vriend van Rijpkema. Beiden woonden niet ver van elkaar vandaan op de Burgemeester Wuitewei. Hamer, Rijpkema en Wijbenga waren kerkelijk Gereformeerd. Wijbenga schreef na de oorlog het boek 'Bezettingstijd in Friesland', dat in drie delen een overzicht geeft van het verzet in Fryslân. Rijpkema werd later ereburger van de gemeente Smallingerland.

Libbe was verbonden met deze verzetsgroep, die vooral vanaf januari 1943 erg aktief werd. Hij had weinig contact met Pieter Wijbenga, maar vond hem een nogal eigengereid iemand. Roel Kuipers, die op het Boveneind woonde, was zijn contactpersoon. Libbe wist feitelijk alleen dat Roel Kuipers weer in contact stond met de latere accoun­tant Jan Douwstra, maar kende niet de overige leden van deze 'LO-cel', die deel uitmaakte van de Landelijk Organisatie voor Hulp aan Onderduikers.

Roel Kuipers was tevens contactpersoon met Roelof Vermeulen, die bekend stond als 'Friso'. Naast deze Vermeulen was ook een bekende verzetsman 'oom Niek', een Hollander. Hij hoorde bij de groep Rijpkema/Vermeulen en stond in contact met hogere verzetskringen.

De groep van Kuipers/Douwstra had voornamelijk de zorg voor onderduikers. Zij moesten zorgen voor voldoende rantsoenbonnen en bereid­den daartoe overvallen voor op distributiekantoren, vaak met behulp van ondergedoken politiemensen. Daarnaast werden illegale krantjes verspreid, wapens verstopt en onderduikers tijdelijk onderdak verleend, tot er een definitief onderduikadres beschikbaar kwam. Dat laatste gold ook voor Engelse en Amerikaanse piloten.

Bij dit alles werd ook Libbe ingeschakeld. Zijn vrouw Aal bracht op de fiets krantjes in de omgeving rond (ook in Eastermar), die ze rond haar middel onder haar kleren verborg. Zo leek het net of ze in verwachting was.

Libbe was in het bezit van een echte Ausweis. Hij wilde geen valse, dat was hem te gevaarlijk bij controle. Dit keurde Pieter Wijbenga (verzetsnaam 'Geale de Vries') af, zo stond Libbe immers officieel geregistreerd. Maar Jan Douwstra keurde dit goed.

2. Jilles Zijlstra
Vanaf 1943 kwam de illegaliteit dus goed op gang. Vanwege de toenemende druk op tewerkstelling in Duitsland (Arbeitseinsatz) steeg het aantal onderduikers. Ook Jilles Zijlstra was hierbij betrokken, die speciaal zorg had voor Joodse onderduikers en neergeschoten piloten. Jilles had een manufactu­renwin­kel in Drachtster Compagnie. Deze winkel werd door de Duitsers (waar­schijnlijk in 1944) in brand gestoken. Daarna kwam de hele Zijl­stra-familie onderduiken bij de Bosma's op Schwartzenberglaan 15. Dit klikte echter bepaald niet. Jilles was getrouwd met Janke Boskma en deze Janke meende dat Aal een oogje had op Jilles. Om verdere moeilijkheden te vermijden werd besloten de Zijlstra-familie in Sneek onder te brengen. Aal bracht nog geregeld eten daar naar toe, op de fiets, soms samen met ds. Buitenbos van Opeinde. Deze predikant was zeer actief in het verzet. Een keer werd op de terugweg bij de Knijpe haar fiets bijna afgepakt, maar ze wist deze te verbergen in een schuurtje.

3. Libbe's verzetsaktiviteiten
Libbe kreeg extra hoeveelheden vet, stroop, honig, meel etc. toegewezen, ten gevolge van een voor de oorlog reeds opgegeven hoog gebruik. In het laatste oorlogsjaar werd er echter niet veel meer gebakken in de eigen bakkerij. Alles liep toen via de Centrale Bakkerij. Libbe liet alles rondbrengen via zijn knecht Jouke Talma. Die kwam als 16-jarige hulp, maar bleef als onderduiker, want hij wilde zijn tewerk­stelling ontlopen. Jouke trouwde later met Marijke Veenstra. Op die manier had Libbe zelf veel tijd voor hulp aan onderduikers: adressen van betrouwbare mensen verzame­len, geld innen tegen afgifte bonnen, koeriersdiensten verrichten etc. Ook werden er wapens vervoerd. Een pistool werd bv. in een uitholling in een doormidden gezaagd balkje gelegd, waarna Libbe de twee helften weer onzichtbaar tot één geheel samenvoegde. Op een keer ging dit mis: de beitel in Libbe's hand schoot uit en hij raakte zichzelf flink in zijn pols. Zoons Klaas en  Elle, ruim 5 resp. 4 jaar oud, waren daarbij en herinneren zich het vele bloed (de slagader werd geraakt) en de opschudding in de bakkerij die met dit ongeluk gepaard ging. Soms werden er ook tijdelijk wapens verborgen onder de matras in het kinderbedje, waar zoon Johannes (geboren in 1943) dan op sliep.

Op een keer was Libbe met verboden materiaal in zijn fietstassen op het Molenend NZ in Drachten, niet ver van de plek waar het gemeentehuis stond. Daar kwam een Duitse soldaat naar hem toe, die wilde weten wat hij vervoerde. De situatie was zo, dat de soldaat vlakbij de Compagnonsvaart stond, tegenover Libbe, met de fiets tussen hen in. Libbe stak in een reflex zijn rechterhand in de zak van zijn jas, richtte die - de indruk wekkend dat hij daarin een pistool had - op de soldaat en deed alsof hij wou schieten. Van schrik deed de soldaat en stap achteruit en tuimelde in de vaart. Libbe ging er vervolgens snel op zijn fiets vandoor. Hij bleef daarna een paar dagen ondergedoken, want mogelijk waren er getuigen geweest. Maar er gebeurde verder niets.

4. Onderduikers en piloten
Er waren een paar min of meer permanente onderduikers in het huis aan de Schwartzenberghlaan, waaronder mensen die gezocht werden. Zo waren er onder meer 'Rûne-Jan' (Ronde Jan, Jan Pietersma, zo genoemd omdat hij een rond gezicht had), 'Fjouwerkante-Jan' (Vierkante Jan, Jan Tjeerdsma, die zo genoemd werd omdat zijn mond vierkant werd als hij lachte) en Jaap. Deze laatste heette eigenlijk Anton van Wijk en was afkom­stig uit Berkel en Rodenrijs. Hij zat oorspronke­lijk onderge­doken bij boer Deelstra in Drachtster Compagnie, maar toen de Duitsers hem kwamen arresteren (bij het melken) sloeg hij op hen los. Anton trouwde later en emigreerde met zijn schoonou­ders naar London, Canada.

De schuilplaats voor de onderduikers was bovenop de achterste van de twee ovens in de bakkerij, die achteraan het huis vastgebouwd was. Dat was de 'koude oven'. Daar lag het rijshout voor het vuur opgestapeld, dat normaliter buiten bewaard werd, maar waar streeds een deel van op de oven gebracht werd om te drogen. Daar was ook een dubbele bodem in de vloer. Als het luik gesloten was, werd er weer wat zand over gestrooid, wat rijshout geplaatst en dan was er niets te zien.
Overigens was er moeilijk aan brandstof te komen voor de oven. Libbe ging daarvoor wel met zijn broers Johannes en Jan in Eastermar boomstronken uitgraven in de dijkswallen in Eastermar. Die konden overigens vaak alleen met veel moeite in kleinere stukken gehakt worden.
Het vervoer van onderduikers of piloten vond zonodig plaats met de bakkerswagen, een royale bakfiets. Onder een zeil, daarop het brood en dat alles afgedekt met een zeil.

 Er werd 's avonds met onderduikers en piloten - o.a. een Engelse piloot, Mike, neergestort in de buurt van Dalfsen, boordschutter, op doorreis naar Engeland - Monopoly gespeeld. Met de piloten was er een taalprobleem. Zo werd bv. door Libbe gevraagd hoeveel vluchten men naar Duitsland had gemaakt. Dan werd een schaar omhoog gehouden als 'bommenwerper', die werd 'van Engeland' over de tafel 'naar Duitsland' bewogen en dan werd geteld: 'boem-boem-boem, wan, toe, of trie'? Ook was het even moeilijk om de piloten, voordat ze 's avonds naar hun schuilplaats gingen en daar de hele nacht bleven, mee naar buiten te nemen en duidelijk te maken dat ze moesten plassen: Libbe wees dan duidelijk gebarend op de knopen van zijn en hun broek die los moesten! Ook moesten sommige piloten gewezen worden op het feit dat ze wat zuiniger moesten doen met het broodbeleg: er werd veel te veel jam op de boterham gedaan!

Maar Libbe en de onderduikers speelden ook gevaarlijker spelletjes. Zo werd er wel met een luchtbuks met pluimpjes vanuit het raam van de achterkamer geschoten op de hand, die een van de mannen voor de deurpost van de bakkerij hield. De kunst was dan om de hand zo snel mogelijk na het schot weg te trekken, zodat de hand niet geraakt werd. Het is altijd goed afgelopen: de hand werd nooit geraakt, maar wel kwamen de pluimpjes met kracht in de deurpost terecht. Natuurlijk was Aal boos op de mannen: hoe konden ze zoiets in hun hoofd halen!

Alle contacten van Libbe met de leiding van het verzet liepen dus via Roel Kuipers. Naast de aanwezige onderduikers kwamen er veel mensen over de vloer die alleen kwamen eten. Dit betrof regelmatig mensen die diezelfde avond ergens een overval moesten plegen, meestal op een distribu­tiekantoor. Men heeft wel eens met achttien of meer mensen om de tafel gezeten. De buren zeiden soms: 'Kijk maar uit, het lijkt bij jullie soms wel of de kerk uitkomt!'

Gecontroleerd werd er ook. Op een keer in 1944 werd er door de Duitsers 's avonds gepatrouilleerd. Ze stampten met hun laarzen op het pad dat tussen huis/bakkerij en het huis van de oostelijk wonende buurman (de Graaf?) liep en schenen met zaklanta­rens door de ramen van huis en bakkerij. Binnenshuis heerste -in uiterste stilte- grote opwinding: onderduiker en verzetsman Rienk wilde gaan schieten zodra de Duitsers binnen zouden komen. Libbe hield echter alles kalm en de Duitsers vertrokken uit zichzelf, zonder aan te bellen.

Zoon Klaas herinnert zich dat zijn moeder eens in tranen was en erg van streek, naar later verteld werd omdat een van de mensen die zij in huis gehad hadden, was omgekomen bij een overval, vermoedelijk op een distributiekantoor.

Daarnaast was er een gewone, betalende kostgangster in huis: juffrouw Braam, afkomstig uit Wildervank, die onderwijzeres was aan de Huishoudschool in Drachten. Het is echter niet geheel duidelijk of zij nog in, dan wel vlak na de oorlog kwam.

De rest van de familie Bosma, zoals vader Klaas, Johannes en Sjoeke, Jan en Rens hadden geen onderduikers in huis. Hun behuizing was te klein. Wel deden ze mee aan kleine dingen, zoals waarschuwen bij verdachte dingen etc. en het verrichten van kleine koeriersdien­sten. Jan verbouwde ook tabak, maar liep daarvan een keer een nicotinevergiftiging op: hij zag er helemaal geel uit.

5. Joodse onderduikers
Libbe en Aal hadden soms ook tijdelijk Joodse onderduikers in huis. Eén daarvan was een soort 'sjacheraar'. Zo zei hij dat hij in Amsterdam, waar hij een schoenenwinkel bezat, een hele voorraad schoenen verstopt, voor verkoop na de oorlog. Om ze tegen diefstal te beschermen had hij de linkerschoenen ergens anders ondergebracht dan de rechterschoenen. Hij zat geregeld in de kleine voorkamer de krant te lezen, maar was niet bereid weg te duiken als er mensen voorbij liepen. Ook bood hij geld voor de stoeltjesklok van Libbe en Aal, die daar uiteraard niet op ingingen: het was hun huwelijkskado van Aal haar ouders.
Een andere Joodse onderduiker wilde méér tabaksbon­nen hebben dan beschikbaar waren en dreigde de straat op te gaan, zich te laten oppakken en namen uit het verzet aan de Duitsers door te geven. Deze man, een bekende querulant, die noodgedwongen al eerder op verschillende adressen werd ondergebracht, was door het verzet al eens flink onder handen genomen via een pak slaag. Later werd hij wegens zijn risico meebrengend gedrag zelfs gelikwideerd.
Na deze ervaring wilde Aal geen Joodse onderduikers meer in huis. Stel dat Libbe door verraad werd gearresteerd, dan bleef zij alleen achter met drie kleine kinderen!

Met deze likwidatie kwam de familie als volgt in aanra­king. De broers Johannes en Rienk van der Kuip uit Oos­ter­meer (Johannes trouwde in maart 1943 met Trui, de jongste zuster van Libbe) woonden op een binnen­schip en voeren, samen met hun broer Fokke, onopvallend door Friesland zonder vaste verblijf­plaats. Zo probeerden ze aan tewerk­stelling in Duits­land te ontkomen. Om in hun le­vensonderhoud te voor­zien ver­voerden ze bieten voor de boeren en plantten riet. Engelse vliegtui­gen schoten op dit soort sche­pen, net als op goe­deren­treinen, want aange­nomen werd dat ze vervoer voor de Duitsers verzorgden. Op een avond voeren zij met twee andere 'skûtsjes' door de Oudegas­tervaart toen de Duitsers hen ontdekten. Snel voeren ze, om aan contrôle te ontkomen, naar de Reitpetten bij Smalle Ee en legden daar aan. De broers besloten een eindje te gaan lopen om de benen wat te strekken, waarbij ze merkten dat de grond op een bepaalde plek omgewoeld was. Fokke onderzocht dat door een beetje in de grond te schoppen, waarbij plotseling een menselijke arm en hand te voorschijn kwamen. De schrik was groot. Snel vertrokken alledrie de 'skûtsjes' vandaar en Johannes rapporteerde het voorge­vallene aan Libbe. Na de oorlog hoorde deze van Roel Kuipers dat dit het lichaam van de betreffende Joodse onderduiker was, gelikwideerd door het verzet.

Pas op 26 augustus 1983 kwam er duidelijkheid over de  achtergrond van deze man. In een artikel in de Leeuwarder Courant vertelde Pieter Wijbenga dat hij in zijn trilogie over het verzet in Fryslân deze affaire nooit genoemd had, omdat het een tere (Joodse) zaak betrof. Het ging om een Joods echtpaar, al in Amsterdam gescheiden, dat elkaar opnieuw in Kamp Westerbork trof, uit de transporttrein naar Duitsland wist te springen en daarna bij elkaar bleef. Zij bezorgden het verzet in en rond Drachten veel moeilijkheden door hun gedrag, eisen en dreigementen. In feite, aldus Wijbenga, die hierover informatie uit Amsterdam kreeg, betrof het hier 'een hoer en haar pooier.' Ze hadden altijd ruzie en de man heeft twee keer geprobeerd haar te wurgen. De vrouw had een dochtertje Lisa van 7 jaar, dat ergens in Amsterdam verbleef. Man en vrouw werden op wel tien verschillende adressen ondergebracht, het laatst in een arbeidershuisje bij Drachtster Compagnie. Ook daar waren ze niet te handhaven: 'het zijn varkens, de vrouw was te beroerd om naar de WC te lopen en deed haar behoefte gewoon op zolder', aldus het artikel. Daarop werden man en vrouw gescheiden ondergebracht. Dat moet het moment geweest zijn - is de reconstructie achteraf - dat de man bij Libbe en Aal op de Schwartzenberghlaan terecht kwam. De vrouw werd ondergebracht in Bontebok, bij Heerenveen, bij Hendrik Marcus de Jong, met de verzetsnaam 'Hare Majesteit'. Hij woonde op een erg achteraf gelegen boerderijtje. Na aanvankelijke aarzeling van Wijbenga's kant werd de man - vermoedelijk dus nadat hij bij Libbe was weggehaald - op bevel van Wijbenga door twee verzetsmensen gelikwideerd. 'Hij is begraven in een trekgat bij Boornbergum'. Toen de vrouw dit later te weten kwam nam ze de fiets en begaf zich op weg naar Gorredijk, om namen van verzetsmensen en onderduikadressen aan de Landwacht door te geven. De knecht van 'Hare Majesteit', een jongen van 18 à 19 jaar, is haar toen op de fiets achterna gegaan, heeft haar doodgestoken en ergens bij een hulstboompje begraven. Aan deze likwidaties is tot 1983 nooit ruchtbaarheid gegeven, er is na de oorlog geen rapport van opgemaakt, de namen van man en vrouw weet Wijbenga zich niet te herinneren en er is nooit gezocht naar de lichamen. Ook van familie van man en vrouw is nooit iets vernomen.

6. Razzia
Een gebeurtenis die grote indruk maakte had plaats in het voorjaar van 1945. Op een ochtend bij het ontbijt in de kleine voorkamer kwamen 'Rûne-Jan' en 'Fjouwerkante-Jan' binnen, met enkele revolvers. 'Verberg deze!' riepen ze tegen Aal, 'de Duitsers komen eraan!' Aal nam de revolvers verbouwereerd aan, deed ze in de schort die ze voorhad en liep naar de rieten wasmand in de bijkeuken, waar ze de wapens onder het wasgoed verborg. Nauwelijks zat ze weer aan tafel of enkele Duitse soldaten stonden aan de ontbijttafel. Libbe had de razzia (het ging om tewerkstelling in Duitsland) ook in de gaten gehad en was via het erf van de buurman naar het weiland achter de Schwar­tzenberghlaan gevlucht, om zo naar de Klokhuislaan te kunnen ontkomen. Daar waren de Duitsers net vandaan gekomen, zodat het daar nu veilig leek. Maar de Duitsers hadden hem toch gezien en de vijfjarige Klaas moest hem gaan halen. Klaas herinnert zich dat Libbe wel vaker op die manier naar de Klokhuislaan ging en daarbij over een brede greppel moest springen. Hij kwam dan terug aan het eind van het rijtje huizen waaruit het begin van de Schwartzenberghlaan toen bestond. Hoe hij zelf als vijfjarige die ochtend over die greppel heen kwam, weet Klaas zich niet meer te herinneren.

Bij deze aktie van de Duitsers, die in linie over het weiland kwamen, werd de 18-jarige Dirk (Dicky), zoon van buurman de Vries (die naast slager de Jong woonde), die zich in een greppel op dat weiland verstopt had, ontdekt en meegenomen. Hij werd enige tijd later gefusil­leerd. Toen Pietje Wouda, het dienstmeisje van Libbe en Aal, die van niets wist, iets later die ochtend de wasmand leeg haalde, schrok ze ontzettend van de revolvers die ze aantrof!

Deze Pietje Wouda, die ook aan de Schwartzenberghlaan woonde, iets voorbij de 'Brede Steeg', was de dochter van een tramconducteur. Maar op een dag kwam ze plotseling niet meer opdagen. Libbe was bang dat ze naar haar oom was gegaan, die NSB-er was en in Quatrebras een meelhandel had. Daarom bleef hij een paar nachten niet thuis slapen.

Na een tijdje bleek echter dat Pietje als 'faam' was gaan werken bij buurman slager de Jong. Toen zij in de bakkerswinkel brood kwam halen, zei Aal tegen haar: 'Je hebt ons wel mooi laten zitten!' 'Ja', zei Pietje, 'maar ik zou jullie nooit verraden hebben!' Buurvrouw de Jong vertelde Aal nog dat ze heel wat werk had gehad om luizen uit het haar van Pietje te halen, waarop Aal zich realiseerde dat de luizen bij de kinderen Bosma daar dus vandaan kwamen en niet van Jouke Talma, iets wat Aal gedacht had! Een complicatie op de Schwartzenberghlaan was dat buurman Libbe van der Harst niet helemaal vertrouwd werd. Hij werkte bij timmerfabriek van der Veen in Drachten, gevestigd aan de HBS-straat. Deze familie van der Veen was NSB-sympathisant. Pietje onderhield een omstreden relatie met buurman van der Harst.

7. Vrijstellingen
Op 10 november 1944 kreeg Libbe (opnieuw) een bewijs uitgereikt dat hij vrijgesteld was van 'Arbeitseinsatz' in Duitsland, en in maart 1945 een 'Freistellung' voor zijn fiets, die daarmee niet gevorderd mocht worden.

8. De Bevrijding
Op bevrijdingsdag in Friesland, 14 april 1945 moest Aal 's och­tends om 6 uur nog op de fiets naar Eastermar met een pistool waar het trekker­veertje van stuk was. Haar vader, klokmaker Elle Wijma,  wist hoe dat gerepareerd moest worden: hij deed wel vaker dat soort karweitjes voor het verzet. Op de terugweg werd ze bij Rottevalle door de NBS, de Binnenlandse Strijdkrachten, aangehouden, die het pistool echter niet vonden. Aal noemde bij het onderzoek het wachtwoord, maar dat vonden ze erg ver­dacht. Ze werd in een schuurtje bij een boerderij aan de Bildtwei (fam. Auwert de Hoek) net buiten Rottevalle vastge­houden, tot telefoontjes met Drachten uitwezen dat de zaak o.k. was. Rond die tijd kreeg Libbe ook een bewijs uitgereikt dat hij lid NBS was, in de functie van motorordonnans.

Bevrijdingsdag was stralend mooi weer. Steeds als er geroepen werd: 'Daar komen weer Canadezen  met gevangengenomen Duitsers langs de Stationsweg aan!' gingen alle bewoners van de Schwart­zenberghlaan met kinderen er snel naar toe om te kijken. Zoon Elle, toen ruim vier jaar oud, weet zich dat te herinneren: hij werd in het wandelwagentje gezet en zag de Duitsers met de armen achterin de nek voorbij marcheren, de Canadezen in pantserwagens. De rood-wit-blauwe vlag hing in de boom voor de bakkerij en stenguns werden door leden van de BS in de lucht leeggeschoten. Ze schoten ook omhoog richting HBS, waar het verzet NSB'ers had ondergebracht. Daarna werden stenguns en geweren in een hoek van de kleine voorkamer geplaatst.  's Avonds was heel Drachten aan het feesten in het centrum. Ook de vijfjarige zoon Klaas herinnert zich deze gebeurtenissen op Bevrijdingsdag.

9. Na de oorlog
In oktober 1945 kreeg Libbe het verzoek om naar het tramstation te Drachten te komen, om een kadootje in ontvangst te nemen, een fiets, een van de vele die door de Canadezen teruggevorderd waren van de Duit­sers. Ook kreeg hij een rol donkerblauw laken mee, stof voor officierskleding, waaruit Aal voor de zoons Klaas en Elle een jas maakte en later voor dochter Wietske een manteltje.

Libbe was ook een van de mensen die van het Militai­re Gezag een stan­daardoorkonde kreeg uitgereikt, ondertekend door Dwight D. Eisenhower en een zelfde soort oorkonde, ondertekend door de Engelse maarschalk Arthur W. Tedder. Hierin werd erkentelijkheid uitgesproken voor de verleende hulp tijdens de oorlog. Bij de uiteindelijke overgave van Duitsland in mei 1945 tekende Tedder de capitulatie namens Eisenhower.

Een bajonet, afkomstig van een geweer van de illegaliteit, werd nog lang door Libbe bewaard, maar is later door zoon Johannes vernietigd, toen het verboden werd om een dergelijk gevaarlijk wapen in bezit te hebben. Een grote koperen huls, afkomstig van een (Canadese) mortiergranaat, is nog in het bezit van Libbe's jongste dochter Elske.

Uit een document, na de oorlog opgemaakt door Douwe Rijpkema en koerierster Tiny Mulder, aanwezig in de Oorlogsdocumentatie van Klaas van der Veen in Burgum, blijkt dat in Drachten actief waren bij 'Hulp aan Geallieerde Piloten':

J(ille) Zijlstra, Merelstraat 9
Popke Zwerver, Molenend NZ 10
Jelle de Haan, Molenend ZZ 187
S. van Velden, Zuiderheide 3
J. Mulder, Molenend NZ 182 en Tiny Mulder
J. Peper, Torenstraat 10
R. Kuiken, Noordkade 52
A.H. Homan, Houtlaan 89
Bijker, Noorderdwarsvaart .. (onleesbaar)
K.J. de Vries, Noorderdwarsvaart 22
L. Bosma, Schwartzenberghlaan 21 (v/h 15)
Mej. L. Atsma, Haersmasingel 21
H. Metselaar, Torenstraat 69 (p/a Douwstra)
F. Lammers, Garage, Noorderbuurt 45
Turkstra, Garage, Stationsweg
Minderbroederklooster, Burg. Wuiteweg 1
R. Kuipers, Oosteinde 11
D. de Vrieze, Noordkade 10 /1
Wed. B. Bolleman, Zuiderbuurt 40
L. Bosch, Oosterstraat
R.C. Vermeulen, Torenstraat 51
D. Rijpkema, Burg. Wuiteweg 10
Gerrit Hakman, Ziekenhuis Drachten

Mogelijk is deze lijst opgesteld in verband met de bovengenoemde toekenning van oorkondes, ondertekend door generaal Eisenhower en maarschalk Tedder.

Na de bevrijding gaven Libbe en Aal aan één van de buren op de Schwartzenberghlaan ook de voorwerpen terug, die deze buren - zij woonden iets verder dan slager de Jong - aan hen in bewaring hadden gegeven. Deze voorwerpen, die ingeleverd hadden moeten worden bij de bezetter, bestonden uit koperen voorwerpen, meest familiestukken. Uit dankbaarheid voor dit bewaren mocht Aal één van deze voorwerpen uitzoeken. Ze koos een kraantjeskoffiepot, die sindsdien de huiskamer sierde. Deze kraantjeskoffiepot was oorspronkelijk zwart met in goudverf aangebrachte sierlijnen en motieven. Later werd die verf afgeschuurd en kreeg de pot zijn tinnen uiterlijk.

 

EINDE